24 sep

donderdag 24 september

Hoofdstuk 6 OVER DE ZWIJGZAAMHEID

Laten wij doen wat de profeet zegt: "Ik sprak: mijn wegen zal ik bewaken om niet te zondigen met mijn tong. Ik heb bij mijn mond een wacht gesteld; ik heb niet gesproken, maar ben bescheiden geweest, en zelfs over goede dingen heb ik gezwegen". Hier wijst de profeet erop, dat als men goede gesprekken soms ter wille van de  zwijgzaamheid moet achterwege laten, men dus zeker de slechte moet vermijden omwille van de straf die op de zonde volgt. Daarom zal aan volmaakte leerlingen - vanwege het groot belang van het  stilzwijgen - maar zelden verlof gegeven worden voor een gesprek, zelfs als het goede, heilige en vruchtbare gesprekken betreft. Want er staat geschreven: "Bij veel spreken kan men de zonde niet vermijden", en elders: "De tong heeft macht over dood en leven". Spreken en onderrichten is trouwens de taak van de meester, de leerling dient te zwijgen en te luisteren. Heeft men dan ook iets te vragen aan de overste, dan vraagt men het met alle nederigheid en eerbiedige onderdanigheid. Stijlloze grappen echter en ieder gepraat dat enkel dient om de lachlust op te wekken wijzen wij voor altijd en overal van de hand en wij staan niet toe,  dat een leerling zijn mond opent voor dergelijke praat. (RB 6,1-8)

* Dit hoofdstuk van de Regel is zeker in deze tijd belangrijk, omdat tegenwoordig alles moet kunnen worden gezegd. Een van de grote wijsheidslessen van de vroege monniken was, dat soms zelfs goede en heilige gedachten onuitgesproken moesten blijven. Vandaag de dag is dat het tegenovergestelde. Een van de oefeningen die we van tijd tot tijd zouden moeten doen, is daadwerkelijk stilte betrachten. En daarbij oefenen om zelfs onze goede gedachten niet uit te spreken of  ze met iemand  te delen. Monastieke stilte is namelijk een stil zijn in navolging van de gehoorzame, stille en nederige Jezus. Stilte is belangrijk voor ons monniken, opdat Jezus in ons leven groter kan worden en wij kleiner. Een bijkomende factor is, dat ik door mijn spreken mijzelf belangrijk vind en op de voorgrond plaats. Door stil te zijn plaats ik niet mijzelf centraal, maar luister ik. Luister ik naar mijn hart en naar  Jezus, en volg Hem in zijn geduld. Temeer worden we ons bewust van de kracht van onze woorden als we spreken als uitdrukking van mijzelf en luisterbereidheid naar de ander. Woorden kunnen namelijk opbouwen en afbreken, woorden hebben macht over leven en dood, zegt de Regel. Zelfs een woord van waarheid kan destructief zijn als het niet in naasten- en ware liefde wordt uitgesproken. Laten we werken aan een stilte in een luisterbereidheid, die mijzelf en de ander opbouwt en zo samen een vreugdevolle gemeenschap met de Heer vormen.


« Terug naar overzicht